Menu 244
12 mei
| Grande amuse di fantasia - menu 150 |
|
|
|
|
HET SPROOKJE VAN DE MENS DIE MENSELIJK BLEEF.
Er was eens een mens, Koen Kern geheten, die zacht en terughoudend van karakter was. Hij was altijd rustig en ingetogen en wist zichzelf ten alle tijde prima te vermaken. Zolang hij als peuter thuis was kende hij uiteraard geen problemen. Hij was vrij, werd geheel verzorgd en kon doen en laten wat hij wilde.
Daar kwam verandering in toen hij op school kwam. Hij kwam in aanraking met andere kinderen en deze viel het op -Koen zelf merkte niets- dat hij anders was. De juffrouw zag vrij snel dat hij niet uit zichzelf meedeed. Als er gezongen werd hield hij zijn mond, maar keek wel instemmend toe en als er spelletjes gedaan werden stond hij alltijd aan de zijkant met grote belangstelling de taferelen in zich op te nemen.
Het was absoluut niet zo dat hij stoorde met zijn gedrag, maar toch zat de rest van het gezelschap iets dwars en daarom werd er druk uitgeoefend op hem om maar vooral mee te doen. Kinderen sleepten hem er -soms letterlijk- met de haren bij en de juffrouw liet hem steevast als eerste iets doen. Koen gaf nooit een krimp. Hij deed even mee, maar zo gauw de gelegenheid zich aanbood, piepte hij er tussenuit en nam de rol van toeschouwer en beschouwer weer op zich.
De juffrouw die merkte dat het haar niet lukte om van Koen een doorsneekind te maken, vroeg de ouders van hem op bezoek en ze praatte lang en breed over Koen. Ze vond dat hij meer mee moest doen, omdat hij anders later in de problemen zou komen. Gelukkig waren de ouders van Koen zich bewust van het bijzondere, dat in feite juist zo gewoon was, dat hij in zich droeg. Ze zeiden de juffrouw dat ze na zouden denken over de cursus: In ontwikkeling bedreigde kleuter, en verlieten onaangedaan het klaslokaal. Ze waren eerder trots dan teleurgesteld op en over hun zoon en deden er verder niets op uit.
Toen Koen op de middelbare school terechtkwam, gebeurde in grote lijnen hetzelfde als op de lagere school. Hij viel uit de toon en dat kon de schoolleiding niet bekoren. Ook de jongens op school wisten niet goed wat ze aan hem hadden, want hij deed nooit mee aan grootspraak of stoerdoenerij, terwijl hij ook niet echt liet blijken dat hij het afkeurde.
De meisjes waren geïntrigeerd door hem. Hij had iets, ze wisten niet precies wat, maar ze waardeerden hem. Koen voelde dat aan, maar had die waardering niet nodig, ze kon immers ook doorslaan en zocht uit zichzelf met niemand contact. Hij haalde goede cijfers op school en de eerst wat geïrriteerde houding van de leraren begon via berusting om te slaan in respect. Toen hij de school verlaten had, misten de leraren en zijn medeleerlingen hem node.
Koen kwam na zijn schooltijd in dienst terecht en daar kreeg hij het zwaar. Eén van de vlottere jongens zag hem als pispaal van de groep en maakte hem het leven zuur. Koen liet het over zich heen gaan, bleef rustig glimlachen en deed zijn werkzaamheden naar behoren. Hij droeg iets van trots in zich, iets onbreekbaars en het was een omhooggevallen majoor die zich daardoor uitgedaagd voelde.
Hij zocht Koen letterlijk en figuurlijk op, strafte hem om de meest onbenullige dingen, want hij zou Koen wel even klein krijgen. De majoor zag niet in dat hij Koen vanwege zijn absolute grootsheid niet klein kon krijgen en moest zijn nederlaag na een kleine twintig maanden tandenknarsend toegeven.
Toen Koen het leger verliet zocht hij de majoor nog even op. Deze was pijnlijk verrast, want hij was zich wel zeer bewust van zijn laakbare gedrag en was behoorlijk verlegen met de ontstane situatie. Koen had hem maar één ding te zeggen en deelde hem zonder ook maar iets van verwijt in zijn stem het volgende mee: "Ik wou u nog even hartelijk bedanken, want van u heb ik het meeste geleerd in het leger". De majoor bleef -voor het eerst in zijn loopbaan- sprakeloos achter en vanaf het moment dat Koen de deur dichtdeed, miste de majoor hem.
Koen zocht geen vaste baan, maar probeerde via uitzendbureaus zoveel mogelijk verschillende functies te vervullen om uit te zoeken wat voor werk hem het meeste lag. Hij vond zijn thuis in het ziekenhuis. Hij bleek als leerling-verpleger binnen de kortste keren geliefd bij alle patiënten. Het mooie was dat hij alleen maar deed wat hij zijn hele leven al gedaan had: Horen, zien en zwijgen.
|