Grande amuse di fantasia - menu 155 PDF Afdrukken E-mail

HET SPROOKJE VAN HET GELIJKWAARDIGE VOLK.

 

Er was eens een planeet waar zich in een grijze toekomst een kolonie mensen van de aarde had gevestigd. Die planeet lag in een uithoek van het heelal en de eigenlijke mensheid had geen enkel contact meer met de bevolking van deze planeet.

 

Het leven ging overal verder, eeuwen verstreken en deze planeet en zijn opmerkelijke bevolking zouden nooit in dit sprookje terecht zijn gekomen als een ruimteschip niet toevallig twee keer een verkeerde afslag had genomen en als de gezagvoerder niet te eigenwijs was geweest om zijn foutieve instructies te herroepen. Deze opeenvolging van missers leidde -zo zou later blijken- tot een voltreffer.

 

Toen de bemanning van het ruimteschip uitstapte zagen ze nergens de karakteristieke uniformen welke de mensheid verder overal droeg, maar nam allerlei mensen in van elkaar verschillende outfit waar. Kort was de gezagvoerder even ontstemd, maar hij drukte meteen door en zei tegen een van de passanten: "Wat is het hier voor een zooitje?". Deze keek totaal niet verbaasd en zei: "Daar heeft u groot gelijk in".

 

De gezagvoerder, normaal een man van stavast, stond te trillen op zijn benen en was door deze ontboezeming even uit het lood geslagen. Vooral de prettige en warme manier van antwoorden had hem even van zijn stuk gebracht. Toen hij daar weer bovenop was gekomen vroeg hij vervolgens korzelig: "Ze lijken hier wel gek, hoe zit dat?". Met wederom een ontwapenende glimlach antwoordde de passant die intussen al geen passant meer was: "Hoe bedoelt u gek, dat woord ken ik niet?".

De gezagvoerder die zijn zelfvertrouwen intussen al enigszins hervonden had baste nu meteen: "Nou je weet wel gek, niet normaal". "Ah" sprak de ex-passant met een vriendelijk timbre: "Nu komen we ergens, als u me tenminste uit kunt leggen wat normaal is?". De gezagvoerder versteende na deze opmerking en wist totaal niet wat hij moest antwoorden en hapte een paar keer naar adem en zei toen: "Jullie lijken hier allemaal wel hartstikke gek". De voormalige passant voelde de onmacht van de spreker, beaamde diens opmerking volledig: "U heeft helemaal gelijk", voelde dat dit gesprek op zijn einde liep en werd onopvallend weer passant.

 

De gezagvoerder ging er eens rustig bij zitten en merkte toen vrijwel meteen dat het gesprek hem toch niet helemaal lekker zat en toen hij zijn aandacht weer op de mensen richtte, merkte hij dat alle mensen rustig waren en een nederigheid en vriendelijkheid uitstraalden die hij in deze mate nog nooit eerder had waargenomen. Het raakte hem zelfs in al zijn onaantastbaarheid en hij voelde hoe hij minder gezagvoerder en weer meer mens werd. Hij krabde zich achter zijn oren, gaf zijn bemanning -die niet wist wat ze overkwam, zo hadden ze hun gezagvoerder nog nooit meegemaakt- vrijaf, en was vastbesloten om te ontdekken hoe het hier op deze planeet reilde en zeilde.

 

Hij besloot eerst maar eens rond te lopen, wellicht trof hij een collega en zou deze hem wegwijs kunnen maken. Hoe hij echter ook zocht nergens vond hij een gezagvoerder. Hij zag alleen maar normale mensen die niet gehaast en allen met een blijmoedige glimlach getooid prettig voortschreden of instemmend samendromden.

 

De ingetogen sfeer kreeg steeds meer vat op hem. Had hij in eerste instantie iedere groet nog met een verstoorde blik beantwoord, nu antwoordde hij meteen en soms -af en toe had hij een uitschieter- nam hij zelf het initiatief tot een gemeende groet. Steeds meer ontdooide de gezagvoerder en zelfs hij voelde dat hij warmte begon uit te stalen.

 

Nog steeds had hij niemand ontdekt die hij aan durfde te spreken, vooral niet omdat hij niet wist hoe hij een gesprek moest beginnen. Ineens bereikte hem een heldere gedachte: De mensen leken hier allemaal gelijk. Dat was een goed uitgangspunt. Hij sprak iemand aan en vroeg direct en zonder enig voorbehoud: "ZIjn jullie hier soms allemaal gelijk?". De aangesprokene keek even verbaasd, maar vroeg toen bereidwillig en zonder een spoor van irritatie: "Gelijk, wat is dat?".

De gezagvoerde raakte weer iets uit zijn hum en zei verstoord: "Nou, u weet wel, allemaal hetzelfde'. "Nee" sprak de man: "Absoluut niet, we zijn hier allemaal verschillend, het zou een mooie puinhoop worden als we allemaal gelijk waren".

De gezagvoerder wist niet hoe hij het had en wist niet hoe hij daar op moest reageren. Hij zweeg even en deed vervolgens nog een poging: "Alle mensen zijn hier zo rustig, ingetogen en aardig, hoe kan dat?". De aangesproken man zei: "Ik weet niet wat u bedoelt, maar u zult ongetwijfeld gelijk hebben" en vervolgde na een vriendelijke groet zijn weg.

 

Toen viel het de gezagvoerder op dat hij alweer gelijk kreeg. Op een doorsnee planeet welke bevolkt werd door het menselijk ras was gelijk krijgen een unicum en nu was het hem op één dag al drie keer overkomen. Hij besloot de proef op de som te nemen en sprak een andere man aan en zei pardoes: "Volgens mij bent u niet goed snik. Het toeval wilde dat de toegesprokene vlak daarvoor uien gesneden had en daardoor had moeten huilen, maar toch meldde deze zonder een spoor van verstoordheid: "Ik ga ervan uit dat u gelijk heeft.".

 

"Beet" zei de gezagvoerder. Hij begon er iets van te snappen: Deze mensen gaven ieder ander gelijk. Soms vroegen ze één keer om verduidelijking, maar met de volgende opmerking gaven ze de ander altijd gelijk. Hij probeerde het nog een paar keer uit bij een aantal willekeurige personen en ieder keer gebeurde in grote lijnen hetzelfde.

 

De verbazing over dit inzicht was groot, maar niet groot genoeg om het prettige gevoel te overstijgen welke bezit van hem nam nadat hij iedere keer gelijk kreeg. Het werd hem steeds duidelijker. Dit was zo simpel dat hij het nooit zelf had kunen bedenken. Zo kreeg je ook nooit meningsverschillen en kreeg ieder mens zijn bevestiging, want iedereen kreeg gelijk en hij had nu zelf ervaren hoe prettig dat aandeed.

 

Toen hij wat was bijgekomen zag hij iemand langskomen die op een andere planeet gegarandeerd voor gek verklaart zou zijn, maar hier gebeurde iets merkwaardigs. "Normale" mensen deden gewoon tegen de zogenaamde gek en hoe raar hij ook liep, men ontweek hem allervriendelijkst, en wat voor onzin hij ook uitkraamde, overal knikten instemmende gezichten hem toe.

 

Ineens sloeg het bij de gezagvoerder naar binnen: Maar natuurlijk, als je iemand die "gek" is gelijk geeft is hij niet gek meer. Hij greep zich vast aan zichzelf want het duizelde hem. Natuurlijk ieder mens heeft gelijk en het donderde bij hem naar binnen: In feite is het ook zo, vanuit ieders uitgangspositie heeft iedereen ook gelijk. Wie dat accepteert kan ieder ander als zijn gelijke beschouwen. Heel even leek het erop dat de gezagvoerder zo verlicht raakte dat hij weg zou zweven, maar zijn lichaam belette hem dat nog net.

 

Toen dit laatste inzicht volledig tot hem was doorgedrongen voelde hij zich opgenomen in de warme en koesterende sfeer die in en om deze mensen hing. Hij voelde jaren miskenning van zich afglijden en voelde zich weer een kind dat toe mocht geven aan zichzelf en niet vast zat aan door anderen bepaalde waarheden.

 

Hij trok zijn uniform dat hem al lang niet meer lekker zat uit, en kreeg -zo leek het- vanuit het niets andere kleren aangereikt en van de gezagvoerder is nooit meer iets vernomen, en de man zelf? Hij voelde zich gelijk-waardig.