Grande amuse di fantasia - menu 118 PDF Afdrukken E-mail

HET SPROOKJE VAN DE MOLENAARSZOON DIE HET OOK NIET WIST.

 

Er leefde eens in een land ver van hier in een ver vervlogen tijd een rustige molenaarszoon. Deze jongeman was heel bijzonder. Die bijzonderheid school hierin dat hij zich onderscheidde van alle andere mensen uit dat land. Wat was namelijk het geval met dit volk? De hele bevolking ging gebukt onder de grote vraagstukken van het leven: waarom zijn wij hier? Wat is het nut van het leven? De boer richtte zich soms op van zijn akker, als hij dacht het antwoord te weten, maar na enig doordenken begreep hij dat dat het ook niet was en de boer hij ploegde voort.

 

Niet alleen de boer, maar ook de notaris, de koning en zelfs de hofnar werden gekweld door deze prangende vraagstukken. Nooit kwam er ook maar iemand dichter bij het antwoord. Als men elkaar op straat tegenkwam vroeg men: "En?". Maar aan de blik van de passant kon men al ontwaren dat deze ook geen steek verder gekomen was. Deze onzekerheden wierpen een grote smet op het geluk van al deze mensen. Was er eens een mooie dag, dan waren er nog steeds die vragen zonder antwoorden. Was er eens een feest dan hoefde maar één feestganger het onderwerp aan te roeren en de feeststemming sloeg om in een begrafenisstemming.

 

Deze ontwikkeling ging op een bepaald moment zover dat de vragen van het leven schuldvragen werden. Mensen gingen gebukt onder deze omstandigheden. Af en toe stond er wel eens een heldere geest op die dacht uitsluitsel te kunnen geven, maar als de verificatiecommissie zich over zijn denkbeelden gebogen had, kon deze ongelukkige terstond afgevoerd worden naar het plaatselijke gekkenhuis. Deze mensen hadden een zwaar en kommervol bestaan. Men was altijd somber gestemd, lachte nooit of zeer zelden en dan heel kort, vervulde braaf zijn plichten maar was nooit opgewekt of vrolijk.

 

En hierin onderscheidde zich nu de molenaarszoon: altijd was hij vrolijk, altijd lachte hij en men kon hem in de verre omtrek van de molen horen zingen en fluiten. De molenaar vertrouwde het niet zo met zijn zoon en vroeg hem op vertrouwelijke toon: "Is er iets?". "Nee" antwoordde de zoon naar waarheid: "Er is niets". "Weet je dat wel heel zeker?", vroeg de molenaar nog door, maar de zoon hield voet bij stuk en beweerde dat er niets was. "Ook geen klap van de molen gehad? " probeerde de molenaar nog in een ultieme poging, maar ook dat werd lachend ontkend, en de zoon vervolgde weer fluitend en zingend zijn weg.

 

Dit gedrag viel bijzonder op, zelfs zo erg dat de molenaarszoon bekend werd in het hele land. Van heinde en verre kwam men op bezoek om dit wonder te aanschouwen. Met stomme verbazing keek een ieder de ogen uit, want hij was echt vrolijk en hij had echt plezier in het leven. In het begin werd dit nog halflacherig afgedaan. Hij weet niet beter en komt nog wel bij zinnen, zo redeneerde men, maar toen de molenaarszoon maar bleef fluiten en lachen begon het steeds meer mensen te irriteren. Er werd een commissie gevormd en deze commisie beklaagde zich bij de molenaar dat het zo niet verder kon. De molenaar beaamde dit volledig en vertelde dat hij al een poging had gedaan om er achter te komen wat er aan schortte, maar dat hij niet verder gekomen was.

 

De commissie zat verslagen bij elkaar toen plotsklaps de tweede secretaris, een nijvere bediende van een naburige graaf, de geest kreeg en dit ook wist te verwoorden. "Zou hij het weten?" sprak hij op samenzweerderige toon uit. De commissie was volledig uit het veld geslagen. Eenmaal terug in het veld moest men na enkele vergaderingen wel tot de conclusie komen dat dit de enige verklaring kon zijn voor het onbehoorlijke gedrag van de molenaarszoon. Hij wist het, hij wist alles van het leven, het waarom, etc. en daarom was hij zo levenslustig en vrolijk. Een grote opwinding maakte zich van de commissie meester. De borst van de molenaar zwol tot grote hoogte en hij vertelde de voorzitter van de commissie vertrouwelijk dat hij altijd al in de gaten had gehad dat er iets bijzonders met zijn zoon was.

 

Na nog enkele vergaderingen werd besloten dat een delegatie de molenaarszoon zou benaderen om hem te vragen of hij het geheim met hen wilde delen. Nederig en met knikkende knieën (vanwege het lood in de schoenen) zochten drie afgezanten de molenaarszoon op. Deze floot en zong dat het een aard had. Met trillende stem nam de dapperste afgezant het woord. "Mogen wij u wat vragen?" hakkelde hij. "Maar natuurlijk" lachte de molenaarszoon: "brand maar los", om vervolgens een vreugdedansje om de vertwijfeld toekijkende delegatie te maken. "Zou u ons willen vertellen hoe het zit?" stotterde de afgezant. "Hoe wat zit?". lachte de molenaarszoon. "Het leven en zo?" zei de afgezant. "O, dat weet ik niet hoor" bulderde de molenaarszoon en hij gierde het uit: "Dat weet ik echt niet" Deze frivole uitbarsting had een verlammende uitwerking op de delegatie. Men voelde zich in de maling genomen en aanvaardde somber de terugreis.

 

Na enkele vergaderingen van de commissie kwan deze tot de conclusie dat de molenaarszoon de delegatie misschien te licht gevonden zou hebben. Er was maar één oplossing. De koning zelf zou het hem vragen en zo geschiedde. De koning ontbood de molenaarszoon en stelde hem de vraag: "Maar hoe zit het nu met het leven en zo?". Lachend en gierend zei de molenaarszoon: "Ik weet het niet, ik weet het echt niet". De koning die dit gedrag niet kon tolereren, de hele hofhouding keek immers toe, liet de molenaarszoon in een kleine kerker smijten en zette hem op een rantsoen van water en brood.

 

Maar dit mocht de molenaarszoon niet deren. Hij floot en zong dat het een lieve lust was en de koning werd steeds radelozer. Hij zag nog maar één uitweg: martelen en zo geschiedde. De molenaarszoon kwam op de pijnbank terecht en men martelde hem verschrikkelijk, maar hij bleef volhouden dat hij het echt niet wist. Na twee volle dagen en nachten martelen kwam er een einde aan de krachten van de molenaarszoon. De koning hoopte erop dat hij het geheim nu wel zou vertellen. De molenaarszoon deed dat ook, maar de koning hoorde de laatste woorden die de molenaarzoon uitsprak wel, maar verstond ze niet: "Ik weet het niet, ik weet alleen maar dat ik het niet weet". Na deze woorden stierf hij met een glimlach op zijn gezicht. De koning en zijn volk leefden nog lang en ongelukkig.